dinsdag 27 augustus 2013

Lowlands/Nijgh en van Ditmar Schrijfwedstrijd Longlistwinnaar


Twenty Six

Als ik op mijn fiets zit in mannenkleren die niet van mij zijn, voel ik hoe zwaar ik moet trappen om op mijn bestemming te komen.
Het is rustig bij het zwembad. Ik kies kastje nr. 25 zoals altijd sinds ik het zwemmen weer heb opgepakt. Mijn handdoek en shampoo leg ik bij de douches in een van de speciaal daarvoor gemaakte vakjes. In de douches is niemand. Het water in de douches is net niet warm genoeg.

Wat zou er gebeuren als ik nu hier mijn allereerste liefde zou tegenkomen. Hij zou op me aflopen en me hartstochtelijk zoenen, onze halfblote natte lijven tegen de tegeltjes aangedrukt. Ik denk in belachelijk romantische onrealistische scenario's. In mijn hoofd spelen er zich scene's af die niet zouden misstaan in een Amerikaanse soap.
Als ik richting het zwembad loop probeer ik de beste aspecten van mijn lichaam te benadrukken, je weet maar nooit wie er kijkt. Het zijn de bollingen die het verste uitsteken zoals mijn borsten. Mijn buik niet, die hou ik in, dat moet ik van mezelf. Als ik onder water sta mag mijn buik pas weer uitpuilen. Ik leg mezelf veel dingen op, ik mag bijvoorbeeld niet op de bank liggen als er nog een afwas staat.

Er zijn drie andere mensen in het zwembad. Aan de kant een man die op de vader lijkt van mijn beste vriend. Hij ziet er fanatiek uit met duikbrilletje, badmuts en gespierde armen. Hij glimlacht vriendelijk, het staat raar bij zijn gespierde postuur. Op zijn borst heeft hij een tatoeage van een vrouwengezicht, er staat het woord mama bij in sierlijke letters, de afbeelding lijkt op mij. Ik lach vriendelijk terug, maar probeer hem zo kort mogelijk aan te kijken omdat ik niet wil dat hij denkt dat ik iets met hem wil. Verderop zwemt een oudere vrouw met een witte badmuts die maar half op haar hoofd zit. Een een jongen met een slap geworden hanenkam en wegschoren hoofdzijkanten komt onze richting op gezwommen. Hij heeft grote grijze ogen en hij ziet me, maar als ik hem tegemoet zwem kijkt hij weg en wijkt licht uit.

Ik zwem een tijdje met mijn ogen dicht en doe alsof ik in de Vecht zwem. Ik probeer het chloor niet te ruiken.
Ik denk aan toen ik aan de Vecht kampeerde, toen de amerikaan net vertrokken was naar zijn geboortegrond. Ik denk aan zijn kleine kale hoofd, aan zijn korte stevige benen, aan zijn licht hese stem waarmee hij Nederlands sprak dat me aan het lachen maakte.

Ik denk aan zijn tatoeages. Vooral aan die met de grote letters op zijn linkerarm, twenty six. Zijn bijnaam. Het was zijn broekmaat toen hij in een garage werkte als leerling-monteur. In grote blokletters stond het er van boven naar beneden. Een nummer in letters. Ik denk aan zijn lijf dat geruisloos in het mijne schoof, als een eigen lichaamsdeel. Hoe het rook naar de zee, als we vreeën. Hoe hij me streelde alsof ik een pasgeborene was.
Aan al die keren dat hij hem niet omhoog kreeg, denk ik niet. Niet aan het litteken in zijn nek waarvan hij had gezegd dat het door een val van de fiets kwam. En niet aan hoe hij steeds minder werd om vast te houden. Het leek alsof hij mijn broer was en mijn vader tegelijk zonder dat hij naar familie rook. Soms leek het meer alsof hij mijn hond was.

Op een dag belde mijn beste vriend. Hij vroeg of ik op een stoel zat, daarna zei hij dat de Amerikaan dood was. Hij had zich opgehangen aan de balken van een zolderappartement waar ik hem zijn eerste compliment gaf, over de foto's die hij maakte. Die avond was de Amerikaan dicht tegen me aan gaan zitten en later pakte ik zijn hand. Daarna begon de optelsom van perfecte seks, de wens dat ik een kind van hem wilde en zijn verlies dat ik probeerde te stelpen met mijn naïviteit.

Toen hij naar zijn thuisland vertrokken was voerde hij vicieuze monologen met mij via skype. Soms zei hij dat ik een 'catch' was de andere keer zijn 'lifesaver'. Hoe ik hem in eerste instantie weer terug wilde halen naar Nederland. Hij dacht dat als we een kind zouden maken en een labrador zouden nemen dat alles in orde zou komen. Ik wilde graag geloven dat mijn liefde voor de amerikaan sterker zou zijn dan het gebrek aan serotonine in zijn lijf.. Ik dacht aan hoe ik steeds vaker wegliep als hij zijn verhalen vertelde die in steeds kleinere eentonige cirkels rond zongen.
De webcam was zogenaamd al eerder stuk gegaan. Toen hij voor de zoveelste keer echt zou komen en het drie dagen stil werd maar de paniek in mij een veelkoppige draak en ik hoorde hoe hij twee nachten op het vliegveld had doorgebracht met een nog wreder monster, nam ik een besluit.

Daarna dacht ik aan hoe mijn beste vriend zonder mijn medeweten hem een paar weken later toch naar Nederland haalde en in huis nam.
Hoe we de laatste keer seks hadden in mijn beste vriend's badkamer. Hij stonk naar een dood vogeltje. Ik zei dat ik hem alleen wilde aanraken als hij gedoucht had. Pas toen ik voorstelde samen te douchen stemde hij toe. Onder de douche kwam hij huilend in mij klaar. Hij was mager. Al had ik al vele malen eerder afscheid van hem genomen, ik wist dat ik de laatste was in wie hij zijn zaad spoot.

Ik was gaan kamperen om tot rust te komen. Een vakantie is de meest eenzame en vernederendste bezigheid die je na het vertrek van een geliefde kunt bedenken.
Behalve het feit dat je je er obstipatie van krijgt is kamperen een vorm van zelfvernietiging want verstoken van mijn dagelijkse afleidende bezigheden ging ik denken aan alles wat misschien mijn schuld was, terwijl ik met mijn wc-rol onder de arm voor de zoveelste keer naar het toiletgebouwtje liep. Ik weet nog hoe ik op het toilet ingehouden huilde om alles wat waar was.

Ik open mijn ogen, ik ben bijna bij de duikplank die het einde van het bad markeert. Terug op mijn rug. Ik voel het water langs mijn rug en billen glijden. Soms loopt er wat water in mijn neus, het schrijnt bovenin mijn strottenhoofd. Ik weet dat ik straks rode ogen heb. Ik probeer de lijn van tl-balken op het plafond te blijven volgen, maar dat lukt niet, ik heb een afwijking naar rechts.

Ik probeer mezelf steeds te corrigeren. Ik weet ineens weer waarom ik nooit een zwemdiploma heb gehaald. Ik zwem door en door tot ik een lichaamsdeel tegen mijn achterhoofd voel, mijn benen zoeken de grond, er is geen grond. Ik krijg water binnen, ik spartel en voel een grote octopus mij beetpakken. Overal voel ik handen als zuignappen aan mijn lichaam.. Dan is er lucht, ik hoest, het brand in mijn neus.

Ik voel twee kleine handen onder mijn oksels en het lijkt alsof ik vier benen heb. Ik zie de stang die aan de kant van het zwembad is vastgemaakt ik zwem er heen en pak hem beet. De handen onder mijn oksels zijn verdwenen. Ik hoest en watertrappel. De jongen met de grijze ogen heeft, net als ik, de stang vast. Hij kijkt me aan alsof hij wil vragen of het gaat. Ik hoest nog en knik tegelijkertijd. Hij lacht niet.

Ik kijk naar mijn polsen het bandje met nummer 25 is weg. De jongen trekt zijn wenkbrauwen omhoog., ik vermoed dat hij de paniek in mijn ogen ziet. Ik zeg dat mijn kluisbandje weg is. Nu is hij medeplichtig, ik vind dat een beangstigend gevoel. We kijken naar het water, we turen naar de bodem. Het is een diep zwembad. De jongen neemt een duik en ik zie hem naar de bodem zwemmen. Het ziet er mooi uit, net een dolfijn met een broekje aan. Prachtig gezicht, de luchtbellen, dat halfkale hoofd met zijn haar als een bosje golvende waterplanten. Hij komt na een tijdje boven. Hij hijgt en schud zijn hoofd. Ik zeg dat ik naar de badmeester zal gaan om het probleem te melden. De jongen knikt. Ik bedank hem. Hij knijpt met zijn ogen zo als een kat soms doet. Daarna zwemt hij weg.

Er zijn geen andere mensen meer in het zwembad. De mevrouw met de scheve badmuts loopt net het trapje af richting de douches, de fanatieke zwemmer zie ik nergens. Ik loop de vrouw achterna. Ik besluit snel een douche te nemen, mijn handdoek op te halen en dan richting de kluisjes te gaan. Tegenover me staat de vrouw van de badmuts, nu zonder badmuts. Ze glimlacht naar me. Ik zie dat ze een gouden tand heeft. Ze zeept haar hele lijf in met babyshampoo. Ik was mijn haar. Ze spoelt zich proestend af. Ze lacht weer en zegt dan dat ik er niet gelukkig uit zie. Ik weet niet wat ik terug moet zeggen. Ze glimlacht weer en zegt dat ik misschien eens op vakantie zou moeten gaan. Ik lach aarzelend. Maar niet naar Amerika, zegt de vrouw. Ze neemt een koude douche en bij het verlaten van de doucheruimte raakt ze even mijn schouder aan. Amerika is rot, fluistert ze.

Bij kluisje nummer 25 staat de jongen met de geschoren zijkanten, hij is poedelnaakt. Zijn zwarte zwembroek ligt als een koeienvlaai over zijn rechtervoet. Hij graait in mijn kluisje, trekt mijn onderbroek aan, mijn BH is te groot. Mijn jurkje trekt hij over zijn witte lijf. De jongen is nog nat, het gaat stroef. De jurk plakt tegen zijn kruis, het ziet er lachwekkend uit. Dan ziet hij mij.

Hij schrikt niet en lacht evenmin. Ik stotter dat ik nummer 25 heb, dat het mijn spullen zijn. Ik maak er veel armbewegingen bij, het voelt een beetje als verdrinken. De jongen steekt zijn hand naar me uit met daarin een bandje met een sleuteltje. Hij legt het polsbandje in mijn hand, lacht breed en zegt : 'no lady, your number is twenty six. '



Rinske Kegel

juli 2013

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen