maandag 23 februari 2015

Inzending voor de 'Sofamonologen' van Op Ruwe Planken

Literair open podium Op Ruwe Planken schreef een wedstrijd uit. De Sofamonologen. Als je je aanmeldde kreeg je een psychische aandoening opgestuurd en van daaruit moest je een monoloog schrijven alsof je bij de psychiater op de sofa lag. Ik kreeg ADHD.
Ik won de wedstrijd niet, maar ik heb zo'n enorm plezier gehad in het schrijven van deze monoloog dat ik hem jullie niet wil onthouden. Komt ie:


Alle Dagen Heel Druk

Wat ik over mezelf kan vertellen, heeft u even?

Mijn naam is Terry. Toen ik in de buik van mijn moeder zat verveelde ik me te pletter Er was niets te doen, het was er altijd dezelfde temperatuur en er was alleen een vaag rood schemerdonker te zien. Toen ik enigszins mijn ledematen kon bewegen doodde ik de tijd met mijn moeder uit haar slaap te houden. Haar buik was niet mooi rond maar leek een immer verschuivende gletsjertoestand. Ik verheugde mij op de momenten dat ze naar de fles greep, dan voelde ik tenminste nog iets van sensatie. Toen ik geboren werd kreeg ik eindelijk wat ik nodig had, indrukken!
Ik was blij dat mijn moeder alcoholiste was, ik had meer dan één verslaving nodig om mijn honger te stillen. Ik sabbelde aan beide borsten tegelijk, probeerde ondertussen met mijn apenteentjes een paar rammelaars in de lucht te houden terwijl ik op het plafond een spin in de gaten hield. Tussendoor probeerde ik mijn stem uit die zoveel mogelijkheden bleek te bezitten dat ik van opwinding in mijn broek poepte en pieste terwijl de moedermelk, die meer op Baileys leek, uit mijn enthousiaste mondje omhoog kwam.
De geuren, de kleuren, de geluiden, ik vond het allemaal overweldigend en ontroerend.
Muren waren voor mij doorgangen, met eten kon je prachtige beeldhouwwerken maken en in de wasmachine maakten mijn huisdieren waanzinnige ruimtereizen. Ik organiseerde ontroerende begrafenissen en crematies in bloempotten en magnetrons voor alles wat door mijn toedoen het leven liet.
Mijn moeder verdween op een dag dat het onweerde en ik alle ramen en deuren had opengezet omdat ik wilde dat de storm bij me zou komen spelen, ik voelde overeenkomsten.
Toen ging ik bij mijn oma wonen, ze kon goed worstelen.


Hoe mijn schooltijd was, bedoelt u mijn gevangenschap?
Toen ik naar school moest wist ik meer van de kosmos en van de mogelijkheden binnenin mij dat ik niet begreep waarom ik geen torens mocht bouwen met de lichamen van mijn klasgenoten, waarom ik op de gang gezet werd als ik een hommel probeerde te redden die met zijn insectenhoofdje keer op keer tegen het raam van de klas vloog, waarachter de wereld lag.
Er bestonden toen nog geen middelen als Ritalin, een naam die klinkt als een verleidelijke vrouw. Kinderen die dat krijgen schijnen zombies te worden, hebben we er daar al niet genoeg van?
Ik had geen hulp nodig, nog steeds niet, ik bevind me alleen uit liefde voor mijn vriendin op deze poepsjieke sofa, wiebelend omdat ik zitvlees ontbeer. U ziet eruit als een ambtenaar en al uw vragen beginnen met een W of een H.


U vraagt wat mij gelukkig maakt.
Ik ben een tevreden mens. Ik werk voor een coffeeshop, ik heb geen neusschot meer waardoor ik extra veel zuurstof binnenkrijg en ik woon in Amsterdam, de stad van de prikkels. Ik hou van mensen en van klare taal. Ik krijg nooit duidelijke antwoorden terwijl de vragen die ik stel in de binnenkant van je oor passen. Speel geen spelletjes met mij, meewarige blikken zijn voor mij een teken van mijn gelijk. Ik ben niet gek, ik ben als jij, maar dan zonder luxaflex. Als ik last heb van het licht, drink ik, snuif ik, spreek ik een toeriste aan met grote borsten en vraag of ze gelukkig is. Dat zijn mijn luxaflexerende noodzakelijkheden. Voor elk mens is er iets uitgevonden dat diegene nodig heeft. Ambtenaren krijgen bureaucratie, mensen als ik drugs. Wij functioneren daar prima op.
Ik rij graag op mijn scooter door Amsterdam met een plastic zak vol wiet en knipoog naar de smerissen. Voor mijn geliefden, mijn rotte familie doe ik alles. Ik stel ze teleur en win ze steeds opnieuw voor me, met mijn puppyogen. Als mijn vriendin 's ochtends in een dameslaars vol pis stapt, krijgt ze van mij dezelfde dag nog drie paar nieuwe laarzen en een lekkere befbeurt.

Wat mij raakt, vraagt u, heb ik daar al niet op geantwoord ?
Ik was een keer in een museum, toen werd ik kunstenaar. Ik was een keer in Paradiso, toen werd ik muzikant. Ik word waar ik ben.
Meestal ben ik een kleine crimineel omdat ik vaak op plekken ben waar veel is.

Wat ik vind van het idee om af te kicken?
Hahaha!

Gaat u nu een rapportje schrijven?
Hopelijk een goed rapportje, want die kreeg ik vroeger nooit, er stond altijd op dat ik geen geweten heb.








 


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen